LIFE ACLIMA presenteert slotconclusies op studiedag
Centraal binnen ACLIMA stond één vraag: hoe kunnen landbouwbedrijven hun waterbeschikbaarheid verhogen? Onder andere door te zoeken hoe er meer kan gebeuren met minder water (waterbesparing). Maar ook de nadruk leggen op duurzame waterbronnen (hemelwatergebruik, infiltratie, waterhergebruik en alternatieve waterbronnen) en zo minder afhankelijk zijn van niet-duurzame waterbronnen (leidingwater, grondwater). Vanuit die invalshoek werden vijf pijlers uitgewerkt. Zo werd gekeken naar het beperken van waterverbruik, het maximaal benutten van regenwater, en het verbeteren van infiltratie om bodemvoorraden aan te vullen voor droge periodes. Ook hergebruik van waterstromen en de inzet van alternatieve bronnen zoals gezuiverd afvalwater kwamen uitgebreid aan bod.
Waterbeheer in de dierlijke sector
In de dierlijke sector lag de focus op het gebruik van regenwater als drinkwater voor vee. Om te voldoen aan de kwaliteitsnormen vereist dit doorgedreven zuivering, onder meer via filtratie- en nanofiltratietechnieken die ook in de glastuinbouw worden toegepast. Daarnaast werd gewerkt aan het verminderen van hittestress via een beter stalklimaat, wat indirect het drinkwaterverbruik kan verlagen. Dat is vooral naar dierenwelzijn positief. Voor melkvee kan water bespaard worden bij slim inzetten van vernevelingsinstallatie. Ook het hergebruik van spoelwater uit stallen en melkinstallaties werd onderzocht. Met innovatieve zuiveringssystemen blijken deze stromen opnieuw inzetbaar binnen het landbouwbedrijf.
Precisie-irrigatie in de plantaardige sector
Voor de plantaardige sector stond precisie-irrigatie centraal. Onderzoekers ontwikkelden irrigatieadviesmodellen die weerdata, bodemvocht, gewastype en irrigatiegegevens combineren. Op meer dan twintig proefpercelen werd ingezet op efficiëntere irrigatie, vaak in combinatie met druppelirrigatie. Zo krijgen telers beter inzicht in de effectieve waterbehoefte van hun gewassen en kunnen ze gerichter sturen, zonder verlies aan opbrengst of kwaliteit.
Een tweede belangrijke techniek is peilgestuurde drainage. Hierbij wordt grondwater in de bodem vastgehouden in plaats van onmiddellijk afgevoerd. Door het waterpeil slim te sturen, blijft meer water beschikbaar tijdens droge periodes. Praktijkproeven tonen aan dat zo honderden kubieke meters water per hectare kunnen worden opgeslagen, met merkbare impact in droge jaren.
Begeleiding en knelpunten
Naast technologische innovaties begeleidde Life ACLIMA in totaal 56 landbouwbedrijven op maat in de zogenaamde klimaatadaptatietrajecten. Samen met experten werden waterstromen in kaart gebracht en verbetertrajecten uitgewerkt, met aandacht voor zowel technische haalbaarheid als economische impact. De deelnemende bedrijven kregen bovendien een “waterpaspoort” waarin hun maatregelen werden opgevolgd.
Het project bracht ook drempels aan het licht. Regelgeving, vergunningsprocedures en hoge investeringskosten blijven een rem op de brede implementatie van waterinnovaties. Daarom werden ook beleidsaanbevelingen geformuleerd om opschaling te vergemakkelijken.
Substraatsensoren in de aardbeienteelt
Peter Melis (Proefcentrum Hoogstraten) lichtte toe hoe substraatsensoren in de aardbeienteelt bijdragen aan een lager waterverbruik en minder milieubelasting. In het project werd onderzocht hoe irrigatie gestuurd kan worden op basis van vochtgehalte, EC ((geleidbaarheid) en temperatuur in het substraat. Vooral vochtmeting bleek betrouwbaar voor sturing, terwijl EC minder stabiel was.
Op basis van deze data werd gewerkt met streefwaarden voor vocht in plaats van het klassieke drainpercentage. Dat resulteerde in 15–20% minder waterverbruik en 35–40% minder drainwater, zonder impact op opbrengst of kwaliteit. Substraatsensoren bieden zo duidelijke voordelen voor een nauwkeurigere irrigatiesturing.
Alternatieve waterbronnen in de glastuinbouw
Het Proefstation voor de Groenteteelt onderzocht het gebruik van WKK-condenswater in de paprikateelt. Daarbij werd getest of 10% WKK-water invloed heeft op groei en kwaliteit. De productie bleef stabiel, maar ongezuiverd water leidde tot lichtere vruchten en hogere concentraties chroom, nikkel en lood. Bij gezuiverd water werden deze effecten niet waargenomen. Conclusie: WKK-condenswater is potentieel bruikbaar, op voorwaarde van voldoende zuivering.
Daarnaast werd in slateelten het drainwaterhergebruik onderzocht, met bijzondere aandacht voor ziekteverspreiding via circulerend water, onder meer door Olpidium virulentis. Verschillende ontsmettingstechnieken werden getest, maar geen enkele methode bleek voldoende effectief om de ziektedruk structureel te verlagen. Waterhergebruik blijft hier dus uitdagend.
RWZI-effluent als irrigatiewater
Birte Raes (Aquafin) ging in op het gebruik van RWZI-effluent als irrigatiewater in de groenteteelt. Daarbij worden vooral twee risicogroepen onderzocht: zouten (zoals natriumzouten) en micropolluenten (zoals geneesmiddelen, PFAS en pesticiden). “RWZI’s verwijderen organische stoffen en nutriënten goed, maar zijn minder ontwikkeld voor de verwijdering van deze microverontreinigingen.”
Proeven tonen dat effluentgebruik leidt tot verhoogde zoutconcentraties in spuiwaterwater, met beperkte impact op opbrengst, al kan de vruchtgrootte licht afnemen. Micropolluenten werden slechts in lage concentraties teruggevonden in gewassen, en ook in controlegroepen werden sporen gedetecteerd. De bodem fungeert bovendien als buffer.
Conclusie: hergebruik van RWZI-water is technisch haalbaar en lijkt veilig voor groenteteelt voor humane consumptie, al blijven zouten een aandachtspunt. Een duidelijk beleidskader is nodig voor grootschalige toepassing.
Klimaatadaptatie op landschapsschaal
Jorn Van de Velde (Sumaqua) onderzocht de opschaling van lokale maatregelen naar volledige beekvalleien, zoals Goorbosbeekvallei en Itterbeekvallei. Met hydrologische modellen werd de impact van klimaatverandering en ingrepen doorgerekend.
Zonder maatregelen daalt het bodemvocht sterk. Met middelgrote tot grote ingrepen kan dat niveau grotendeels worden hersteld, al blijven effecten bij zware klimaatverandering negatief. Ook voor droogte en lage waterstanden geldt dat maatregelen de impact temperen, maar het historische niveau niet volledig herstellen.
Infiltratie en landschapsmaatregelen zoals stuwen en peilgestuurde drainage blijken cruciaal. De conclusie is duidelijk: klimaatadaptatie vereist een aanpak op landschapsschaal en samenwerking tussen alle actoren.
Collectieve waterbuffering in de Itterbeekvallei
Tot slot stelde Jasmine Cryns (POM Antwerpen) het project Itterflow voor. Dit project zet in op collectieve waterbuffering voor landbouwbedrijven langs de Itterbeek. Eén gedeeld systeem buffert water in natte periodes en maakt het beschikbaar in droge periodes. Daarnaast wordt een overstroombare oeverzone aangelegd, met een meander, glooiende oevers en stroomdeflectoren die zorgen voor meer variatie in stroomsnelheid en zo het water zuurstofrijker maken.
Het project kreeg vorm via een samenwerking tussen de bedrijven en de overheid. De voorbereiding nam enkele jaren in beslag en ging vooral naar het opbouwen van vertrouwen en een geïntegreerd, werkbaar concept dat alle randvoorwaarden verzoent: waterbeschikbaarheid voor landbouw én natuur, waterkwaliteit, overstromingsgevoeligheid, grondwaterbescherming en landschap. De ingebruikname is voorzien tegen eind 2026.
Door Matthias Vanheerentals - foto's LIFE ACLIMA