Wat radartechnologie voor het Vlaamse visbestand kan betekenen

Het is niet alleen de aandacht voor waterveiligheid en waterbeschikbaarheid die de voorbije jaren een stevige vlucht nam. Net zozeer worden de ogen gericht op de kwaliteit van onze waterlopen en de fauna die zich erin en errond beweegt. Met het oog op de bescherming en het herstel van een gevarieerd visbestand richt de Vlaamse Milieumaatschappij haar diverse kunstwerken daarom stelselmatig uit met de nodige vispassages. De radartechnologie van VEGA helpt om het overzicht te bewaren.

De Vlaamse Milieumaatschappij beheert honderden kunstwerken op Vlaamse waterlopen. In West-Vlaanderen alleen al gaat het om meer dan zeventig stuwen, sluizen en gemalen. “Voor vissen kunnen zij een aanzienlijk obstakel vormen”, vertelt gebiedsingenieur Maarten Goegebeur. “Neem nu de stuw op de Kemmelbeek in Zuidschote: daar is vandaag al snel een niveauverschil van anderhalve meter. Er is geen enkele vis die daar voorbij kan. Daarom zijn we volop bezig om onze kunstwerken vispasseerbaar te maken en zo de vrije migratie het hele jaar door te faciliteren. De resultaten zien we al. Waar we vroeger stroomafwaarts bijvoorbeeld vijftien soorten waarnamen en stroomopwaarts amper vijf, ligt alles vandaag al veel meer in evenwicht.”

Één principe, verschillende uitvoeringen

Intussen werd er in het werkingsgebied van Goegebeur al op negen plaatsen, waaronder aan de stuw in Zuidschote, een vispassage aangelegd. Twee andere projecten zijn momenteel in uitvoering. “Hoe zo’n vispassage precies gerealiseerd wordt, hangt af van de lokale omstandigheden”, legt Goegebeur nog uit. “Bij de Kemmelbeek werd er door middel van een nevengeul bijvoorbeeld een bypass gecreëerd rond de stuw, terwijl er aan de Stenensluisvaart in De Blankaart in Diksmuide voor een De Wit-vispassage geopteerd werd.”

Qua uitzicht zijn er alvast grote verschillen. De De Wit-vispassage, uitgevoerd in beton, is strak en compact; een nevengeul kan op een veel natuurlijkere manier ingericht worden. “Toch hanteren ze allebei hetzelfde principe: ze creëren een opeenvolging van kleine drempels – niet meer dan 6 à 7 cm – waarlangs vissen zich stroomopwaarts kunnen bewegen. Zo zijn de dieren toch in staat om grotere niveauverschillen te overbruggen en stroomopwaarts te migreren.”

Regeling

Wat de verschillende types nog gemeen hebben, is de nood aan op z’n minst enige vorm van regeling. Goegebeur: “In functie van onder meer het waterpeil en de waterkwaliteit bepalen we of de vispassages geopend of gesloten moeten worden. Hoewel we een positieve evolutie zien in de kwaliteit van onze waterlopen, kan het bijvoorbeeld gebeuren dat de waterkwaliteit aan één zijde van een kunstwerk tijdelijk ondermaats is. In zo’n geval heeft het weinig zin om vissen die richting op te laten zwemmen. Ook de waterbeschikbaarheid kan een rol spelen. Ter hoogte van de Kemmelbeek werken we daarvoor zelfs met twee niveaus en twee schuiven. De zogeheten zomerschuif ligt hogerop, zodat we het waterpeil in droge periodes zo hoog mogelijk kunnen houden en dus optimaal water kunnen vasthouden; in de winter openen we de lager gelegen winterschuif.”

Het openen en sluiten van de verschillende schuiven gebeurt vooralsnog handmatig, maar toch worden de vispassages meer en meer met sensoren en niveaumetingen uitgerust. “In principe worden de schuiven slechts een paar keer per jaar gemanipuleerd, maar hoe meer vispassages er zijn, hoe belangrijker het wordt dat we de positie vanop afstand kunnen opvolgen en bewaken. Als we niet precies weten welke schuiven open staan, dan weten we uiteraard ook niet welke vispassages operationeel zijn en welke acties we in bepaalde omstandigheden moeten nemen.”

Radarniveaumeting

De positie van de schuiven wordt opgevolgd met behulp van VEGAPULS 31 radarsensoren. “De sensoren zijn opgesteld in smalle metalen buizen bovenop de schuiven”, vertelt VEGA field manager Kris Voet. “Een metalen plaatje in die buis beweegt mee met de schuif en geldt als referentiepunt voor de niveaumeting. De keuze voor radartechnologie is daarbij niet toevallig. Mocht je een dergelijke meting uitvoeren met optische of ultrasone technologie, dan zou je onder invloed van bijvoorbeeld condens in de buis, temperatuurverschillen of zelfs spinnenwebben al snel verkeerde metingen krijgen. De VEGAPULS radar ondervindt daar geen hinder van.”

Ook de smalle openingshoek en het ontbreken van een dode zone maken deze toestellen tot een uitgelezen keuze. Voet: “Hoewel de sensoren met geïntegreerde antenne waterbestendig zijn, kiest de VMM ervoor om elektronica zoveel mogelijk boven het overstromingsniveau te plaatsen. Daarom steken de buizen boven het maaiveld uit. Als je daarbij ook nog eens rekening moet houden met een brede waaier en een significante dode zone onder de lens, zoals bij ultrasone meettechnologie, dan worden de buizen natuurlijk alleen maar breder en hoger. Radar zorgt ervoor dat de opstelling toch compact kan gebeuren.”

Focus op betrouwbaarheid

Voor de Vlaamse Milieumaatschappij was betrouwbaarheid bij de keuze van de sensoren een centraal criterium. “Het aantal kunstwerken en parameters is zodanig groot geworden, dat we voor een vlot waterbeheer steeds meer afhankelijk worden van sensoren”, zegt Goegebeur. “We plaatsen op de vispassages weliswaar ook een eenvoudige visuele referentie, zodat we via camerabeelden heel eenvoudig kunnen controleren of een schuif open dan wel gesloten staat, maar een niveaumeting geeft veel exactere gegevens.”

Er werd tevens bewust gekozen voor een eenvoudige radarmeting met display op de sensor. “Mochten we ergens een foutmelding of een verkeerde meting ontvangen, dan willen we snel kunnen achterhalen waar het precies misloopt”, aldus Goegebeur. “Uiteindelijk kan VMM de meetgegevens op verschillende manieren raadplegen”, besluit Voet. “Ze kunnen het niveau rechtstreeks aflezen op de sensor, maar de gegevens worden via Bluetooth ook doorgestuurd naar de VEGA app én naar hun eigen PLC en afstandsbewakingssysteem. Op die manier hebben ze de volledige controle.”

www.vega.com

Tekst: Elise Noyez

Beeld: Elise Noyez

Wat radartechnologie voor het Vlaamse visbestand kan betekenen

Het is niet alleen de aandacht voor waterveiligheid en waterbeschikbaarheid die de voorbije jaren een stevige vlucht nam. Net zozeer worden de ogen gericht op de kwaliteit van onze waterlopen en de fauna die zich erin en errond beweegt. Met het oog op de bescherming en het herstel van een gevarieerd visbestand richt de Vlaamse Milieumaatschappij haar diverse kunstwerken daarom stelselmatig uit met de nodige vispassages. De radartechnologie van VEGA helpt om het overzicht te bewaren.

De Vlaamse Milieumaatschappij beheert honderden kunstwerken op Vlaamse waterlopen. In West-Vlaanderen alleen al gaat het om meer dan zeventig stuwen, sluizen en gemalen. “Voor vissen kunnen zij een aanzienlijk obstakel vormen”, vertelt gebiedsingenieur Maarten Goegebeur. “Neem nu de stuw op de Kemmelbeek in Zuidschote: daar is vandaag al snel een niveauverschil van anderhalve meter. Er is geen enkele vis die daar voorbij kan. Daarom zijn we volop bezig om onze kunstwerken vispasseerbaar te maken en zo de vrije migratie het hele jaar door te faciliteren. De resultaten zien we al. Waar we vroeger stroomafwaarts bijvoorbeeld vijftien soorten waarnamen en stroomopwaarts amper vijf, ligt alles vandaag al veel meer in evenwicht.”

Één principe, verschillende uitvoeringen

Intussen werd er in het werkingsgebied van Goegebeur al op negen plaatsen, waaronder aan de stuw in Zuidschote, een vispassage aangelegd. Twee andere projecten zijn momenteel in uitvoering. “Hoe zo’n vispassage precies gerealiseerd wordt, hangt af van de lokale omstandigheden”, legt Goegebeur nog uit. “Bij de Kemmelbeek werd er door middel van een nevengeul bijvoorbeeld een bypass gecreëerd rond de stuw, terwijl er aan de Stenensluisvaart in De Blankaart in Diksmuide voor een De Wit-vispassage geopteerd werd.”

Qua uitzicht zijn er alvast grote verschillen. De De Wit-vispassage, uitgevoerd in beton, is strak en compact; een nevengeul kan op een veel natuurlijkere manier ingericht worden. “Toch hanteren ze allebei hetzelfde principe: ze creëren een opeenvolging van kleine drempels – niet meer dan 6 à 7 cm – waarlangs vissen zich stroomopwaarts kunnen bewegen. Zo zijn de dieren toch in staat om grotere niveauverschillen te overbruggen en stroomopwaarts te migreren.”

Regeling

Wat de verschillende types nog gemeen hebben, is de nood aan op z’n minst enige vorm van regeling. Goegebeur: “In functie van onder meer het waterpeil en de waterkwaliteit bepalen we of de vispassages geopend of gesloten moeten worden. Hoewel we een positieve evolutie zien in de kwaliteit van onze waterlopen, kan het bijvoorbeeld gebeuren dat de waterkwaliteit aan één zijde van een kunstwerk tijdelijk ondermaats is. In zo’n geval heeft het weinig zin om vissen die richting op te laten zwemmen. Ook de waterbeschikbaarheid kan een rol spelen. Ter hoogte van de Kemmelbeek werken we daarvoor zelfs met twee niveaus en twee schuiven. De zogeheten zomerschuif ligt hogerop, zodat we het waterpeil in droge periodes zo hoog mogelijk kunnen houden en dus optimaal water kunnen vasthouden; in de winter openen we de lager gelegen winterschuif.”

Het openen en sluiten van de verschillende schuiven gebeurt vooralsnog handmatig, maar toch worden de vispassages meer en meer met sensoren en niveaumetingen uitgerust. “In principe worden de schuiven slechts een paar keer per jaar gemanipuleerd, maar hoe meer vispassages er zijn, hoe belangrijker het wordt dat we de positie vanop afstand kunnen opvolgen en bewaken. Als we niet precies weten welke schuiven open staan, dan weten we uiteraard ook niet welke vispassages operationeel zijn en welke acties we in bepaalde omstandigheden moeten nemen.”

Radarniveaumeting

De positie van de schuiven wordt opgevolgd met behulp van VEGAPULS 31 radarsensoren. “De sensoren zijn opgesteld in smalle metalen buizen bovenop de schuiven”, vertelt VEGA field manager Kris Voet. “Een metalen plaatje in die buis beweegt mee met de schuif en geldt als referentiepunt voor de niveaumeting. De keuze voor radartechnologie is daarbij niet toevallig. Mocht je een dergelijke meting uitvoeren met optische of ultrasone technologie, dan zou je onder invloed van bijvoorbeeld condens in de buis, temperatuurverschillen of zelfs spinnenwebben al snel verkeerde metingen krijgen. De VEGAPULS radar ondervindt daar geen hinder van.”

Ook de smalle openingshoek en het ontbreken van een dode zone maken deze toestellen tot een uitgelezen keuze. Voet: “Hoewel de sensoren met geïntegreerde antenne waterbestendig zijn, kiest de VMM ervoor om elektronica zoveel mogelijk boven het overstromingsniveau te plaatsen. Daarom steken de buizen boven het maaiveld uit. Als je daarbij ook nog eens rekening moet houden met een brede waaier en een significante dode zone onder de lens, zoals bij ultrasone meettechnologie, dan worden de buizen natuurlijk alleen maar breder en hoger. Radar zorgt ervoor dat de opstelling toch compact kan gebeuren.”

Focus op betrouwbaarheid

Voor de Vlaamse Milieumaatschappij was betrouwbaarheid bij de keuze van de sensoren een centraal criterium. “Het aantal kunstwerken en parameters is zodanig groot geworden, dat we voor een vlot waterbeheer steeds meer afhankelijk worden van sensoren”, zegt Goegebeur. “We plaatsen op de vispassages weliswaar ook een eenvoudige visuele referentie, zodat we via camerabeelden heel eenvoudig kunnen controleren of een schuif open dan wel gesloten staat, maar een niveaumeting geeft veel exactere gegevens.”

Er werd tevens bewust gekozen voor een eenvoudige radarmeting met display op de sensor. “Mochten we ergens een foutmelding of een verkeerde meting ontvangen, dan willen we snel kunnen achterhalen waar het precies misloopt”, aldus Goegebeur. “Uiteindelijk kan VMM de meetgegevens op verschillende manieren raadplegen”, besluit Voet. “Ze kunnen het niveau rechtstreeks aflezen op de sensor, maar de gegevens worden via Bluetooth ook doorgestuurd naar de VEGA app én naar hun eigen PLC en afstandsbewakingssysteem. Op die manier hebben ze de volledige controle.”

www.vega.com

Tekst: Elise Noyez

Beeld: Elise Noyez