VLARIO-dag 2026 kijkt voorbij stedelijk waterbeheer
“De wereldorde davert op zijn grondvesten.” Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns kwam in zijn openingswoord meteen tot de orde van de dag. “Hoewel het budgettair zware jaren zijn, is het in zo’n omstandigheden belangrijker dan ooit om te investeren in onze eigen weerbaarheid. Dat houdt ook de weerbaarheid en de waterweerbaarheid van onze omgeving in.” Brouns herinnerde in dat opzicht aan de 430 miljoen euro die opnieuw voor de Blue Deal wordt vrijgemaakt en benadrukte dat we vooral in het kwantificeren van onze sponsdoelen een absolute voorloper zijn. “Het is echter ook cruciaal dat initiatieven van onderuit gedragen worden”, voegde hij daar nog aan toe. “Vanuit de gebiedscoalities wordt daar sterk op ingezet.” Ondertussen blijft de Vlaamse Overheid via het Lokaal Pact ook in gemeentelijke rioleringsprojecten mee investeren. Voor de periode 2026-2030 wordt zo opnieuw 500 miljoen euro ter beschikking gesteld, aldus Brouns.
Meer dan rioleringsgraad alleen
Over die rioleringsprojecten hadden een aantal sprekers op de VLARIO-dag wel iets te zeggen. In zijn analyse van de meerjarenplannen en hemelwater- en droogteplannen van de veertien gemeentes in de Vlaamse Ardennen, merkte Tom Hofman, algemeen directeur van Sint-Lievens-Houtem, immers op dat de saneringsplicht in het gemeentelijk waterbeheer nog steeds dé prioriteit is. Hoewel ontharding, sensibilisering en erosiebestrijding als belangrijkste acties zijn opgenomen in de hemelwater- en droogteplannen, lijkt dat immers slechts een beperkte impact te hebben op het daadwerkelijk beleid. Terwijl gemiddeld ongeveer een kwart van het totale investeringsbudget van de gemeentes naar rioleringsprojecten gaat, is dat voor ontharding nog niet 1%. Voor erosiebestrijding liggen de cijfers nog lager. “In kleine gemeentes zoals Zwalm en Wortegem-Petegem wordt zelfs meer dan 60% van het totale budget aan sanering besteed”, merkt Hofman nog op. “In deze gemeentes ligt de saneringsgraad niet alleen lager, maar ligt de kostprijs voor het aanleggen van riolering omwille van het landelijk karakter vaak ook hoger. In combinatie met de groeiende complexiteit van dossiers en vergunningsperikelen zorgt het dat er amper middelen overblijven voor andere initiatieven.” Hofman pleit daarom voor meer decentrale zuivering, een gedifferentieerd subsidiemechanisme en een herziening van het GIP. “De meeste middelen van het AWV gaan vandaag naar de Stad Antwerpen, maar de rest is heus geen parking”, merkt hij op.
Raf Bellers van Fluvius bood een andere blik op saneringsprojecten, al gaf ook hij aan dat het niet opportuun is om enkel te focussen op de resterende 6% rioleringsgraad. “Het is minstens even belangrijk om naar de overstorten te kijken. Volgens de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater (ERSA) mag bijvoorbeeld maximaal 2% van de vuillast opnieuw in de waterloop terechtkomen. In Vlaanderen is dat op piekmomenten maar liefst 7%.” Wat er precies nodig is om dat percentage naar beneden te halen, wordt momenteel in drie Vlaamse pilootgebieden onderzocht. Daarbij wordt met behulp van sensoren nagegaan waar en wanneer er overstorten plaatsvinden en wat de effecten zijn, om vervolgens risicogebaseerd in te grijpen. “We kunnen niet alles tegelijk aanpakken; we moeten prioriteiten stellen. Vast ligt alleszins dat we verder moeten kijken dan de optimalisatie van het rioolnetwerk. Via bronmaatregelen en dus de ontlasting van het rioolnetwerk moeten we tegelijk inzetten op preventie, en door waterlopen te versterken kunnen we aan mitigatie doen.”
Maatwerk
Bronmaatregelen, sponsdoelen en het versterken van de waterlopen waren alvast centrale onderwerpen in een panelgesprek tussen Lode Ceyssens (Boerenbond), Noah Janssen (Natuurpunt), Barbara Vael (VMM) en Jurgen Callaerts (VVSG) - vier partijen wiens noden in de open ruimte verenigd moeten worden. Bijzondere aandacht ging daarbij naar de grachten. “Volgens de laatste cijfers is er in Vlaanderen zo’n 80.000 m2 aan grachten”, vertelde Janssen. “Zij voeren jaarlijks 600 tot 1.200 miljoen m3 water af. Als we naar het volledige watersysteem willen kijken - en niet alleen naar de waterlopen - dan moeten we ook op deze bovenstroomse haarvaten inzetten.” Met de opmaak en validatie van de grachtenkaart tracht VMM daarvoor alvast de eerste stappen te zetten, al zijn er bij zowel lokale besturen als bij landbouwers nog wel wat bedenkingen. Zo beschikken veel lokale besturen volgens Callaerts niet over de tijd en middelen om de validatie te doen, en vreest Ceyssens vooral dat het geen louter informatief instrument zal blijven maar in de toekomst opnieuw aanleiding zal geven tot nieuwe verordeningen.
Vanuit kwalitatief oogpunt richtte het panelgesprek zich vervolgens op vervuiling in de grachten en de stikstofproblematiek in het bijzonder. Traditioneel wordt daarvoor vooral in de richting van de landbouw gekeken, al bleek uit een inleidende video dat er heel wat factoren zijn die de waterkwaliteit beïnvloeden, waaronder ook overstorten en ongezuiverde lozingen. “Het is belangrijk dat we naar het volledige plaatje kijken, en onder andere via de gebiedscoalities de slechte meetpunten gaan analyseren, om zo tot oplossingen te komen”, zei Vael. Die oplossingen vragen volgens Callaert en Janssen vooral maatwerk. “We mogen ons niet louter baseren op rekenmodellen, maar moeten samen rond de tafel gaan zitten”, zei Ceyssens. “Het probleem is groot, maar in veel gevallen kunnen kleine maatregelen al een noemenswaardig verschil maken”, benadrukte Janssen dan weer. “Bufferstroken zijn bijvoorbeeld een goede stap, maar er zijn nog andere mogelijkheden. De juiste kennis en een plaatsafhankelijke, gebiedsgerichte aanpak zijn belangrijk.”
Hanne Vandewaerde van de Regionale landschappen gaf in haar presentatie alvast een voorproefje van hoe dat maatwerk eruit kan zien en hoe dergelijke projecten zowel de landschapskwaliteit als de lokale identiteit kunnen versterken. Onder meer het sponsactieplan van Herk en Mombeek kwam aan bod, net als de aanleg van een helofytensloot en doorstroompoel in Essen en de grachtenactieplannen van Haacht en Zemst.
De kracht van samenwerking
Ook Sarah Garré van ILVO-Plant had een mooi grachtenproject ter illustratie. Zij vertelde hoe er in Sint-Gillis-Waas in samenwerking met 17 landbouwers een plan werd opgemaakt voor de perceelsgrachten, waarbij niet alleen 50 stuwen werden geplaatst, maar uiteindelijk ook een agrobeheersgroep werd opgericht om de noden van zowel landbouw als maatschappij in rekening te brengen. “Zowel voor waterberging en een duurzaam bodembeheer, als voor het reduceren van de watervraag zijn er inmiddels talrijke technische oplossingen, maar de grootste uitdaging ligt bij de samenwerking en uitvoering op het terrein. Dat is in dit project dan ook de sleutel geweest tot succes, en een belangrijk voorbeeld om uit te leren.” Als centrale leerlessen citeerde Garré onder meer de focus op een collectieve aanpak, bijvoorbeeld via groepssubsidies, de ondersteuning van brugfiguren die de verschillende niveaus en kennissystemen op elkaar afstemmen, en de aandacht voor structurele financiering op zowel gemeentelijk als bovengemeentelijk niveau.
Nood aan duidelijkheid en voorspelbaarheid
VLARIO-voorzitter Patrick Willems beaamde dat er aan technische oplossingen geen gebrek is. “We weten wat werkt; nu is het tijd om het grootschalig te doen, met visie en daadkracht.” Daarin zijn volgens Willems nog een aantal aandachtspunten. Zo gaf hij aan dat er voor de open ruimte momenteel nog geen concrete doelen zijn over hoeveel water er precies geïnfiltreerd, gebufferd en gedraineerd kan of moet worden. “Die waterzekerheidsdoelen zijn momenteel in opmaak, waardoor we op termijn per deelbekken heel concrete cijfers zullen kunnen voorleggen.” Het Living Lab Herk en Mombeek dient daarvoor als pilootproject. Daarin werd nagegaan wat het aanvaardbare risico was om vervolgens concrete doelen te bepalen - van stroomopwaarts naar stroomafwaarts - en uiteindelijk de bijbehorende maatregelen vast te leggen. “In een stuk of 15 vergaderingen werd er samen met de gebiedscoalitie zo tot een gedragen actieplan gekomen. De kost van die maatregelen wordt begroot op 50 à 75 miljoen. Maar als je weet dat niets doen je op termijn 400 miljoen euro kost en er door de maatregelen zo’n 300 miljoen euro aan schade/kosten vermeden wordt, dan is de kosten-batenanalyse wel duidelijk.”
Om dat helemaal op scherp te stellen, benadrukte Willems nog het belang van optimalisatie. “We weten dat de impact van infiltratievoorzieningen groter is dan die van louter ontharden, en dat infiltratievoorzieningen in bebouwd gebied meer effect hebben op het grondwaterpeil. Bij het plaatsen van stuwen zijn onder meer locatie en beheer belangrijke aandachtspunten. Door een doordachte locatie, kan je met de helft zoveel stuwen bijvoorbeeld al een zelfde effect bekomen, en ook een dynamisch beheer is een groot pluspunt.”
Tot slot is er volgens Willems ook voor de overheid nog een belangrijke taak weggelegd. “Niet alleen om water nog meer sturend te maken, maar vooral om de juiste economische prikkels in te zetten en te blijven werken aan duidelijkheid en voorspelbaarheid.” Een pleidooi dat eerder ook al tijdens het panelgesprek werd gebracht en waarop Jo Brouns aan het begin van de dag al op anticipeerde. Hij verzekerde tijdens zijn openingswoord immers dat er nog steeds gewerkt wordt aan snellere vergunningverlening en dat er plannen zijn om de sectorale wetgeving doelgerichter te maken. Al benadrukte hij ook dat een goed overleg met alle betrokkenen essentieel is om tot een sterk dossier te komen en zo het vergunningstraject vlotter te doorlopen. Samenwerking blijft met andere woorden hét geheime ingrediënt.
Door Elise Noyez - foto's: Vlario
Sponslabel
Tijdens de VLARIO-dag stelde VLARIO samen met Natuurpunt het gloednieuwe label Sponsgemeente voor. “Via deze weg willen we steden en gemeenten inspireren, motiveren en activeren om meer regenwater vast te houden”, vertelde VLARIO-directeur Wendy Francken. “Ondanks alles verharden we vandaag nog steeds sneller dan het water kan volgen. Terwijl grootschalig Vlaams onderzoek duidelijk aantoont dat groen en water de temperatuur meetbaar verlagen. Water slim vasthouden, bepaalt dan ook steeds meer of buurten bij hevige regen, hitte en droogte overeind blijven.”
Het Sponslabel is evenwel geen doel op zich. “Inzetten op ontharding, infiltratie, buffering en slim ruimtegebruik heeft voordelen voor zowel het lokale bestuur als de inwoners en de stad, maar we willen met het label ook een groeitraject aanbieden”, zegt Lander Wantens van Natuurpunt. “Alle Sponsgemeentes samen zullen een lerend netwerk vormen, met plaats voor zowel grote als kleine gemeentes.”
Gemeentes kunnen zich nog tot eind 2026 kandidaat stellen voor het label Sponsgemeente. Hiervoor vullen ze een vragenlijst in en tonen ze via concrete voorbeelden hun engagement. Er gaat aandacht naar vier thema’s: algemeen, water, groen en mens. Een jury bestaande uit Lander Wantens, Wendy Francken, Patrick Willems (KU Leuven), Hilde Eggermont (INBO) en voormalig Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck beoordeelt de aanvragen en zal in juni 2027 de eerste Sponslabels uitreiken. Elke twee jaar wordt er een nieuwe lichting Sponsgemeentes geselecteerd. Het label zelf is vier jaar geldig.