Oppervlaktewater als slachtoffer van grondwaterverbruik
Oppervlaktewater als slachtoffer van grondwaterverbruik
Grondwater oppompen doet het stroomdebiet van oppervlaktewaters zoals beken, rivieren en meren dalen. Volgens recent onderzoek zal dat tegen 2050 tot grotere milieuschade leiden dan tot nu toe gedacht.
Op 2 oktober is in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een publicatie verschenen die behoorlijk wat stof deed opwaaien. Ze heet ‘Environmental flow limits to global groundwater pumping’. Daarin hebben de auteurs het over de milieustroomlimiet: de minimale waarde van het stroomdebiet van beken en rivieren die noodzakelijk is om gezonde ecosystemen te onderhouden. Onder die limiet treedt onaanvaardbare achteruitgang van het milieu op. De wetenschappers schrijven: “We schatten dat tegen 2050 de milieustroomlimieten zullen zijn bereikt voor 42 tot 79 procent van de stroomgebieden wereldwijd waar grondwater wordt opgepompt.”
Grote verdienste
We bespraken de kwestie met dr. Kristine Walraevens, professor aan Universiteit Gent en experte hydrogeologie. “Op dit moment wordt er in de media nog niet vaak bij stilgestaan dat een minimale basisafvoer van grondwater naar rivieren noodzakelijk is om de stroming van de rivieren in stand te houden. Als die tekort zou schieten en daardoor de oppervlaktewaters een te laag stroomdebiet krijgen, zou ook heel wat ecologie teloor gaan. Het artikel heeft de grote verdienste dat het, voor de eerste keer, een kwantificering uitvoert van die invloed van het grondwater op het oppervlaktewater, op wereldschaal. Het artikel geeft een goed beeld waar zich de regio’s met de grootste te verwachten problemen, als gevolg van grondwateronttrekking, bevinden.”
Optimistisch versus pessimistisch
Het onderzoek is mogelijk te optimistisch, maar tegelijk is er het gevaar voor een te pessimistische interpretatie. “In hun prognoses houden de auteurs rekening met het ‘business as usual’-scenario. Ze houden geen rekening met een verhoging van de pompdebieten als gevolg van bijvoorbeeld een grotere bevolkingsdichtheid of grotere economische groei. Wat voor hen aanleiding is om te zeggen: onze resultaten zijn mogelijk te optimistisch. Aan de andere kant moeten we voorzichtig zijn. Ze formuleren het allemaal correct, maar als ze schrijven: ‘We estimate that by 2050 the environmental flow limits will be reached for approximately 42 to 79 % of the watersheds in which there is groundwater pumping worldwide’, zullen sommigen geneigd zijn daaruit te besluiten dat in 2050 zo’n 42 tot 79 % van de stroomgebieden wereldwijd een onaanvaardbare milieuschade zal kennen. Welnu, het is belangrijk er rekening mee te houden dat ze alleen hebben gekeken naar de stroomgebieden waar een aanzienlijke grondwaterwinning gebeurt. Stroombekkens waar minder grondwaterwinning dan een bepaalde hoeveelheid plaatsvindt, hebben ze niet in beschouwing genomen. Dan is het niet te verwonderen dat je aan zo’n hoog percentage komt.”
“Hoe dichterbij een grondwaterwinning bij het oppervlaktewater, hoe groter de impact.”
Betekenis voor België
Wat kunnen we besluiten voor België uit het onderzoek? Walraevens: “Je mag niet inzoomen op onze regio en zeggen: ‘Kijk, dat betekent het op de schaal van Vlaanderen’. Bedenk dat ze rekenen met een model met gridcellen van vijf boogminuten. Ter hoogte van de evenaar zijn die 10 kilometer op 10 kilometer groot. Als we naar ons land kijken, is dat met hun methode, heel grof geschat, in pakweg duizend cellen ingedeeld. Dat is erg weinig.”
De wijdmazige methode liet de onderzoekers toe heel nuttige conclusies te trekken op wereldwijde schaal. ”Ze zeggen dat hun onderzoek een goed startpunt kan zijn om op een meer gedetailleerde, lokale schaal toegepast te worden, vertrekkend van die globale aanpak. Vooral in die regio’s waar gedetailleerde, meer lokale studies nog niet zijn uitgevoerd. Dan denk ik in de eerste plaats aan heel wat ontwikkelingslanden. Hier in Europa is er de Kaderrichtlijn Water en daaraan gekoppeld de Grondwaterrichtlijn. Daar wordt al van de lidstaten verwacht dat zij op regelmatige basis rapporteren over de toestand van de grondwaterlichamen. Ook onafhankelijk daarvan gebeuren in landen zoals België lokale, soms meer gesofisticeerde studies.”
Wel is uit het artikel af te leiden dat België, en met name Vlaanderen, een van regio’s is met de grootste te verwachten problemen. Kristine Walraevens: “Vooral het Scheldebekken is schaars aan water, maar dat is al langer geweten. Wat onze regio betreft, komen dus de gekende patronen uit hun grondwateruitputtingskaart naar voren.”
Belgisch onderzoek
Onderzoek naar de invloed van winningen van het grondwater op oppervlaktewater, is al langer bezig. “Ook wij doen dat, al vele jaren, maar dan op meer lokale schaal. Neem bijvoorbeeld ons hydrogeologisch onderzoek in de Kalmthoutse Heide. Daar zijn tijdens de droge zomer van ´76 verschillende vennen drooggevallen. Toen werd met de vinger gewezen naar waterwinningsmaatschappij Pidpa. Maar uit ons onderzoek is gebleken dat het droogvallen van die vennen te wijten was aan waterwinning in Nederland – die vennen zijn dicht bij de Nederlandse grens gelegen.”
“We deden voor het Netebekken een simulatie van 1833 tot 2005. Daarvoor zien we geen dalende trend van de kwel.”
Ook hebben Kristine Walraevens en collega’s voor het oostelijke gedeelte van Vlaanderen simulaties gemaakt. “In het Netebekken bevinden zich veel natuurreservaten op kleine stroompjes, oppervlaktewatertjes dus. Die zijn afhankelijk van de basisafvoer van grondwater. We hebben een simulatie van 1833 tot 2005 gedaan en daarmee het effect van meerjaarlijkse fluctuaties in de klimatologie op het grondwater vastgesteld. Nu, in ons land houdt de overheid intussen goed in het oog dat de grondwaterwinningen niet blijven toenemen. Daardoor kan eigenlijk niet gezegd worden dat we daar een dalende trend van de kwel zien. Op dit moment hebben we wel maar gesimuleerd tot 2005. Het zou zeker interessant zijn met de gegevens van de laatste vijftien jaar na te gaan of er sprake is van een dalende trend die verdroging door klimaatverandering volgt.”
Oplossingen
Kristine Walraevens geeft enkele ideeën hoe te voorkomen dat onaanvaardbare achteruitgang van het milieu optreedt door overschrijden van de milieustroomlimiet. “Belangrijk,” begint ze, “is de plaats waar een grondwaterwinning is gelokaliseerd ten opzichte van het oppervlaktewater. Hoe dichterbij, hoe groter de impact.”
Ook nuttig is overtollig water opslaan zodat het in het droog seizoen benut kan worden, bijvoorbeeld voor irrigatie. “In het kader daarvan hebben we onlangs een project in opdracht van VMM afgerond dat focust op het kustgebied waar veel van het grondwater verzilt is. Een belangrijke component van het onderzoek was, kijken of het mogelijk is om de zoetwatervoorraden te verhogen door kunstmatige voeding van watervoerende lagen in de ondergrond. Ook in de strategie van opslaan van water, past de aanpak van IWVA, de Intercommunale Watermaatschappij Veurne Ambacht. Zij hebben al sedert 2002 een project waarbij ze het grondwater in de duinen kunstmatig aanvullen door daar voorgezuiverd effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Wulpen te laten infiltreren. Tenslotte neemt de overheid initiatieven om het water meer bovengronds op te slaan. Dat we intussen allemaal het regenwater bij nieuwbouw moeten stockeren, kadert daarin.”
Het scenario, beschreven in het Nature-artikel, is dus te voorkomen. Als we de juiste maatregelen nemen.
Door Koen Vandepopuliere


