Antibiotica, anticonceptiva, PFAS
Drinkwater onder grensoverstijgend toezicht
QualiSûre is een project binnen het Interreg Grote Regio (Grande Région) programma, medegefinancierd door de Europese Unie, dat tot doel heeft de waterkwaliteit van het stroomgebied van de Haute-Sûre, de belangrijkste drinkwaterbron van Luxemburg, te bewaren. Het project brengt RTC4Water, de universiteiten van Luxemburg en Kaiserslautern, CEBEDEAU en verschillende overheidsdiensten (SIDEN, IDELUX, SPGE) samen rond zes werkmodules. De tweede module richt zich op de optimalisatie van waterzuiveringsinstallaties voor het elimineren van microverontreinigingen.
Maar zouden we niet beter de microverontreinigingen bij de bron trachten te verminderen? Vanuit die gedachte is de enquête gehouden onder zorgverleners in de vier betrokken Waalse gemeenten in het stroomgebied van de Sûre, om te peilen hoe zij de impact van medicijnresten op het aquatisch milieu inschatten.
In het kader van de enquête zijn reacties verzameld van een panel van artsen, apothekers, verpleegkundigen en dierenartsen met gemiddeld 21,7 jaar beroepservaring in de regio’s Martelange, Fauvillers, Léglise en Vaux-sur-Sûre.
Een waarneembaar risico, maar vage richtlijnen
De conclusie is duidelijk: vrijwel alle respondenten beschouwen de impact van medicijnresten op de waterfauna als groot, waarbij zij onder meer verwijzen naar toxiciteit, verstoring van de voortplanting, de feminisering van vissen of zelfs vissterfte (Afbeelding 1). Maar als het gaat om het rangschikken van stoffen, staan industriële producten – waaronder PFAS – hoger gerangschikt dan geneesmiddelen, die als beter „gereguleerd” worden beschouwd (Afbeelding 2). Wat de moleculen betreft, zijn antibiotica unaniem erkend als de meest voorkomende en meest zorgwekkende verontreinigende stof, nog voor orale anticonceptiva.
Als het gaat om besmettingsbronnen, wordt spontaan gedacht aan urine en huishoudelijk afvalwater, maar wanneer de respondenten wordt gevraagd de bronnen te rangschikken, noemt de helft van de respondenten juist industriële lozingen uit de farmaceutische sector als belangrijkste bron. Wat de doeltreffendheid van afvalwaterzuiveringsinstallaties betreft, is de consensus onder de Waalse respondenten voorzichtig want de zuivering wordt slechts als partieel beoordeeld.
Deze verwarring is niet eigen aan Wallonië: uit een rapport van het Franse Bureau voor Biodiversiteit (1) blijkt dat een groot deel van de zorgverleners ten onrechte denkt dat stedelijk of ziekenhuisafvalwater specifieke zuiveringsbehandelingen ondergaat voordat het weer in het milieu terechtkomt. Ze overschatten ook de rol van ongebruikte geneesmiddelen als bron van vervuiling, terwijl de belangrijkste lozingsroute in werkelijkheid de uitscheiding door de patiënten zelf is.
De kloof: theorie versus praktijk
Hier ligt de kern van het probleem. Een derde van de respondenten houdt nooit rekening met de milieu-impact bij het voorschrijven of afleveren van een geneesmiddel, en de meerderheid doet dit slechts heel zelden. Patiënten worden geïnformeerd over het juiste gebruik of het inleveren van geneesmiddelen, maar bijna nooit over de milieu-impact ervan.
De reden hiervoor is structureel: bij geen enkele respondent kwam het onderwerp tijdens de basisopleiding aan bod, en slechts één respondent heeft een bijscholing hiervoor gevolgd.
Deze lacune in de opleiding reikt verder dan Wallonië: hetzelfde Franse onderzoek benadrukt dat deze onduidelijkheid over de herkomst van de residuen, ondanks de bestaande bewustmakingscampagnes, de inzet van zorgverleners voor het terugdringen van microverontreinigingen aan de bron, kan afremmen. En vandaar de noodzaak om hun vorming en kennis over deze milieukwesties te versterken.
Conclusie en vooruitzichten
Deze onwetendheid sluit aan bij een bredere constatering: zorgverleners, onderhoudspersoneel en administratief personeel van zorginstellingen hebben over het algemeen slechts weinig kennis van de antropogene watercyclus en van wat er met het afvalwater gebeurt zodra het in de riolering verdwijnt. Het begrip “microverontreiniging” zelf is grotendeels onbekend, en de ecotoxiciteit van geneesmiddelen wordt vaak over het hoofd gezien, afgezien van enkele gevallen die in de media aandacht hebben gekregen, zoals hormoonverstorende stoffen of geneesmiddelen tegen kanker.
De boodschap is duidelijk: de medische sector onderkent het probleem, maar beschikt niet over de middelen en/of nodige informatie om hier iets aan te doen. Dit is geen gebrek aan bereidheid, maar een gebrek aan opleiding. Bovendien wil 100 % van de professionals beter geïnformeerd worden. Aangezien de enquête in een beperkt gebied werd gehouden, zou een enquête op grotere schaal een vollediger beeld van de situatie in België opleveren. De cel Milieu & Gezondheid van Domus Medica (voorheen Wetenschappelijke Vereniging voor Huisartsgeneeskunde), die zich bezighoudt met thema’s rond gezondheid en milieu, lijkt een interessante schakel te zijn voor de verspreiding van deze informatie.
Wat de actoren in de watersector betreft, wijst de enquête op de noodzaak om de bruggen tussen technische expertise en praktijkervaring te versterken, zodat bij het voorschrijven en verstrekken van geneesmiddelen geleidelijk rekening wordt gehouden met de milieu-aspecten, zonder dat de gezondheid van de patiënten daarbij in het gedrang komt.
(1) Basilico L., 2022. Micropolluants émis par le secteur de la santé : prendre soin aussi de l'eau. Office français de la biodiversité, collection Comprendre pour agir. [Door de gezondheidssector ont-stane microverontreinigingen betekent ook zorg dragen voor het water. Frans Bureau voor Biodiver-siteit, reeks ‘Begrijpen om te handelen’]